Darinka Piqani*
De nadagen van de
communistische regimes in het Europa van de 20e eeuw werden
gekarakteriseerd door een gevecht voor constitutionele rechtvaardigheid [constitutional justice]:[1] tezamen met hun
democratische constituties opteerden Centraal en Oost Europese landen voor het
abstracte (maar met elementen van concreet rechterlijk toezicht door middel van
prejudiciële vragen) en gecentraliseerde model van rechterlijk toezicht, en dus
gaf men het constitutioneel toezicht in handen van constitutionele Hoven. De sterke proliferatie zoals die zich voordeed in Centraal en Oost
Europa was geen onbekend verschijnsel: na de Tweede Wereldoorlog hadden de
Westerse landen van Europa[2] spoedig het model van de constitutionele rechtsstaat omarmd, gretig
als ze waren erin te slagen in hun landen democratische regimes te vestigen. Volgens Luis Lopez Guerra[3] ontstonden
constitutionele Gerechtshoven tijdens de opbouw van democratische regimes, na
ervaringen met totalitaire regimes “waar de constitutionele normen en
waarborgen met de voeten waren getreden of genegeerd, vaak in samenwerking met
de wetgever”.[4]
Constitutionele hoven in de regio vervulden een belangrijke rol in de politieke, economische en sociale hervormingen van hun landen. Na enige jaren van gerechtelijk activisme, hoofdzakelijk gerelateerd aan de interne hervormingen en de modellering van nieuwe democratische regimes, zijn deze Hoven verworden tot belangrijke actoren in het Europese integratieproces; een proces dat gedeeltelijk ook de samensmelting van nationale rechtsordes in een gezamenlijke Europese rechtsorde inhoudt. De Hoven zijn eveneens belangrijke actoren gebleken in de relatie tussen de nationale en Europese rechtsorde, zoals bijvoorbeeld in de context van het recent in twijfel getrokken Europese Arrestatiebevel en andere Europese regelgeving.
Het doel van deze bijdrage is de rol van constitutionele Hoven in Centraal en Oost Europa te onderzoeken, om derhalve hun positie als deelnemers in het Europese integratieproces te evalueren. De gebruikte methodiek bestaat uit een grondige analyse van de rechtspraak voor - en na hun toetreding. De hoofdconclusie van de verhandeling bestaat uit de vaststelling dat de constitutionele Hoven van Centraal en Oost Europa over het algemeen een uitgebalanceerd standpunt hebben ingenomen aangaande Europese integratie: hun retoriek wordt gekarakteriseerd door een ‘Europa-vriendelijke’ toon in de periode voor toetreding, die in de fase na toetreding aangevuld werd door een aantal controlimiti, vooral betreffende de waarborging en superioriteit van nationale constitutionele waarden.
Het eerste deel van de verhandeling bestaat uit een korte inleiding tot het ontstaan van gerechtelijke constitutioneel nazicht in Centraal en Oost Europa. Dit zal gevolgd worden door een algemeen overzicht van de pre-toetredings jurisprudentie, waarbij het constitutionele debat zal worden uitgelicht. Tenslotte zal de periode na toetreding geanalyseerd worden, teneinde de algemene houding van deze Hoven na de toetreding van Mei 2004 te kunnen begrijpen.
Tijdens de belangrijke
politieke transformaties in Centraal en Oost Europa heerste de algemene
opvatting dat constitutioneel rechterlijke nazicht een belangrijk, en soms
zelfs onmisbare factor was voor een functionerend democratisch systeem. Constitutionele Hoven werden gezien als cruciale actoren in de
implementatie van rechtsstatelijk bestuur in de fragiele democratieën van de
Centraal en Oost Europese landen. In een landenrapport aangaande Bulgarije heeft Venelin I. Ganey het als
volgt verwoordt: “de overheersende consensus was dat het mechanisme van
rechterlijke nazicht een onmisbare component is van een moderne democratie”.[5] Volgens hetzelfde
rapport bestond er in Bulgarije een kleine communistische fractie die tegen de
komst van een constitutioneel gerecht was, daarbij aanvoerend dat
constitutioneel nazicht van wetgeving in handen van het Hooggerechtshof gegeven
moest worden, in combinatie met het recht voor het Parlement een dictum van het
Hof met een gekwalificeerde meerderheid te verwerpen. Dit
voorstel werd niet geaccepteerd en de Bulgaarse Grondwet werd daarmee een
hoofdstuk aangaande het Constitutionele Hof rijker. Op een vergelijkbare manier heeft Litouwen het
Amerikaanse model van grondwettelijke nazicht afgewezen, onder de argumentatie
dat “de opstellers van de grondwet bepaald hadden dat een geheel onafhankelijk
orgaan noodzakelijk was, om te waarborgen dat de Grondwet accuraat
geïmplementeerd werd en dat de verschillende machten gescheiden en gebalanceerd
werden”.[6]
Bovendien is er een belangrijk ‘Europees’ argument aangaande de invoering van constitutioneel nazicht in Centraal en Oost Europa. Een van de meest prominente actoren op het gebied van mensenrechten, de Raad van Europa, werd een centraal referentiepunt voor landen die voormalig gedomineerd waren door communistische regimes. Tegelijkertijd speelde het Europese perspectief een belangrijke rol in de opkomst van het Europese model van constitutionel toezicht in Centraal en Oost Europese landen. Zoals Prochazka argumenteerd: “het vooruitzicht op het EU lidmaatschap echter, beïnvloedde ook het proces van het creëren van de grondwet in zijn geheel; het werd zelfs het dominante legitimerende kenmerk van politiek handelen”.[7] Prochatzka geeft aan dat de terugkeer naar Europa voor de landen van Centraal en Oost Europa (en speciaal voor de Visegrad landen die het middelpunt vormen van zijn onderzoek) niet gelijk stond aan het informeren van de EU/EG over hun hervormingen, maar eerder aan het aanpassen van hun eigen instellingen aan het model van de Lidstaten. Dit geschiedde dus niet door een opgelegde bundel regels en richtlijnen, in tegendeel; deze landen hadden een grote wil “normaalheid, dat in andere woorden overeenkomst met Europese institutionele keuze betekende”[8] te bereiken. Dit geeft de realiteit in de regio goed weer, zeker als men overweegt hoe groot de drang van Centraal en Oost Europese landen was om hun beleid en institutionele organisatie te laten voldoen aan de Europese standaard van democratie, en hun haast zich te ontdoen van hun communistische verleden.
De eerste
levensfase van de constitutionele Hoven valt goed te relateren aan de periode
van substantiële politieke, economische en sociale hervormingen in Centraal en
Oost Europa. Het Hongaarse Constitutionele Hof, waarnaar soms wordt verwezen
als het “machtigste constitutionele gerecht van de wereld”,[9] is bekend geworden
door zijn controversiële beslissing over de grondwettelijkheid van de wet
inzake eigendomsrestitutie van genationaliseerde gronden aan precommunistische
eigenaren,[10] evenals de
beslissing inzake reinigingsriten en voor haar invloed op de
welzijnsvernieuwingen in Hongarije.[11] In Polen, zoals
Rechter Garlicki aanvoert, bepaalde de behoeften aan hervormingen het soort
zaken dat werd aangebracht bij het Poolse Constitutionele Hof, namelijk vooral
economisch, belastingtechnisch en sociaalrechtelijk. Derhalve, “benodigde de
praktische realisatie van deze taken een aanzienlijke dosis rechterlijk activisme, dat zich laat
illustreren door een relatief hoog aantal uitspraken inhoudende de ongrondwettigheid
van statuten”.[12]
In de nieuwe
context na de toetreding, waar de convergentie van nationale rechtsordes in een
Europese rechtsorde realiteit werd en waar Europees recht de superieure status
kreeg van voorrang op het nationale recht, kwam het op deze Hoven aan hun
nationale constituties te beschermen en tegelijkertijd te voldoen aan Europese
voorwaarden.
In het volgende
deel van de bijdrage zal de rol van deze Hoven in het pre-toetredings proces
samengevat worden, gevolgd door een meer gedetailleerde analyse van hun
post-toetredings jurisprudentie inzake de verhouding tussen de nationale en
Europese rechtsorde.
Kuhn voert
terecht aan dat na de eerste golf van hervormingen in de vroege jaren 90, om de
tekortkomingen van het communistische rechtssysteem te verhelpen, de ‘Europeanisatie’
de tweede grote uitdaging was voor de instellingen in de Centraal en Oost Europese
landen.[13] Dit proces had
grote gevolgen voor hun juridische en institutionele kaders, en hun
constitutionele Hoven bleken daarin belangrijke actoren te zijn.
Gedurende de
pre-toetredings fase was een van de meest belangrijke vraagstukken die van ‘juridische
harmonisatie’, dat volgens Albi inhield “of de nationale Hoven de interpretatie
van het Europese Hof van Justitie (HvJ) moeten volgen en of zij met Europese
wetgeving rekening moesten houden tijdens het toepassen van hun nationale
wetgeving of de bepalingen van de Europa Akkoorden”.[14] In deze periode,
waar EU recht de iure geen bindend
effect in de kandidaatslanden had, refereerden de constitutionele Hoven
desalniettemin aan het acquis
communautaire en aan de rechtspraak van het HvJ. Zij ontpopten zich daarmee
als actoren van Europeanisatie, en creëerden een doctrine van ‘consistente
interpretatie tussen nationaal en Europees recht’.[15]
In deze context is de meest algemene observatie dat de constitutionele Hoven vrij ontvankelijk zijn gebleken voor de harmonisering van hun nationale rechtsordes. Een blik op de literatuur (Albi, Kuhn, Sadurski, Volkai) wijst uit dat van de negen beslissingen van de constitutionele Hoven van Polen, Tsjechië, Litouwen, Estland en Letland in de pre-toetredings fase, zes beslissingen referenties naar Europese wetgeving of jurisprudentie inhouden. Tevens belangrijk zijn de drie afwijkende meningen (‘dissenting opinions’) van constitutionele rechters in Letland en Estland, die het belang van referenties aan het Europese recht en de convergentie van juridische theorie en rechtsfilosofie aantonen.[16] De uitspraak van het Hongaars Constitutioneel Hof inzake de Europa Akkoorden, die in sterk contrast staat tot wat voorafging, zal verderop worden behandeld.
Een aantal voorbeelden kunnen worden genoemd om de bovenstaande observatie verder te illustreren. Een belangrijke en veel besproken[17] zaak van het Poolse Constitutionele Tribunaal uit 1997 betrof een verschil in pensioensleeftijd tussen mannelijke en vrouwelijke werknemers. De nationale regelgeving in kwestie werd ongrondwettelijk bevonden en in strijd met het acquis communautaire inzake gelijke behandeling (in het bijzonder Richtlijn 207/76/EEG). Het Poolse Constitutionele Tribunaal besloot:
“Uiteraard
heeft EU recht geen bindend effect in Polen. Het
Constitutioneel Tribunaal wenst echter op Artikel 68 en Artikel 69 van de
[Poolse Associatie Overeenkomst] te wijzen. Polen is bijgevolg verplicht om zo
goed mogelijk te verzekeren dat toekomstige wetgeving in overeenstemming is met
het Gemeenschapsrecht. Het
Constitutioneel Tribunaal is van mening dat de verplichting om overeenstemming
van wetgeving (een verplichting die vooral gedragen wordt door het parlement en
de overheid) ook voorvloeit in de
verplichting om de huidige bestaande wetgeving te interpreteren op een manier
die de grootste mate van overeenstemming bewerkstelligd”.[18]
Uit bovenstaande uitspraak blijkt duidelijk dat het Pools Constitutioneel Tribunaal in zijn interpretatie een onderscheid maakt tussen de bindende kracht van EU recht enerzijds, en anderzijds de verplichting overeenstemming tussen nationaal en Europees recht te bewerkstelligen. Zelfs overwegende dat EU recht op het moment van de uitspraak niet bindend was, aangezien Polen nog geen lid van de EU was, werden Poolse organen, het Hof zelf incluis, als gevolg van de Toetredingovereenkomst verplicht geacht de maximale compatibiliteit tussen Europees en nationaal recht te garanderen. Het Hof legde zichzelf de verplichting op de reeds bestaande wetgeving op een pro-Europese wijze te interpreteren.
In de zaak
betreffende het referendum over de toetreding van Polen tot de EU, die ook
dateert uit de periode voor de toetreding, heeft het Tribunaal nogmaals
bevestigd dat de interpretatie van nationale wetgeving ‘sympathiek’ diende te
zijn ten opzichte van de Europese integratie. Bovendien
refereerde het Tribunaal naar een ‘constitutioneel principe van een welwillende
predispositie ten opzichte van het proces van Europese integratie en de
samenwerking tussen staten”,[19] dat in acht genomen diende te worden bij de beoordeling en
interpretatie van bindende statuten. Uit de woorden van het Tribunaal blijkt
dat het aan dit principe een constitutionele status toekent, af te
In een zaak van
het Tsjechische Constitutionele Hof aangaande de Tsjechische
mededingingswetgeving heeft het Tsjechische Hof geoordeeld dat de interpretatie
van Europees mededingingsrecht door Europese instellingen “waardevol is” voor
de corresponderende Tsjechische regelgeving, aangezien EG/EU recht op dezelfde
principes en waarden zijn gevestigd als Tsjechisch constitutioneel recht.[20] Het
Constitutionele Hof bevestigde deze positie in de Melk Quota zaak, waar het op een zeer Eurovriendelijke wijze oordeelde
dat: “primair gemeenschapsrecht geen vreemd recht is voor het Constitutioneel
Hof, maar integendeel in grote mate doordringt in de besluitvorming van het
Hof, bovenal in de vorm van algemene principes van Europees recht”. [21]
Behalve het bevestigen van de noodzakel nationaal recht in conformiteit met het acquis communautaire uit te leggen, hebben deze Hoven tevens vaak gerefereerd aan specifieke jurisprudentie van het HvJ en Europese wetgeving. In de Skoda zaak betreffende het misbruik van een dominante positie door een Tsjechische autofabrikant heeft het Tsjechische Constitutionele Hof gerefereerd aan de HvJ uitspraak in de zaak Merci Convenzionali Porto de Genova.
In de Telecommunicatie zaak, betreffende de
grondwettelijkheid van nationaal recht in het licht van EG-rechtelijke
verplichtingen, heeft het Litouwse Constitutionele Hof gerefereerd aan de EG
Richtlijnen 90/388 en 98/10/EEG.[22] Bovendien heef
het Litouwse Hof in de Death Penalty
zaak gerefereerd aan een politiek document, namelijk de Resolutie van het
Europees Parlement uit 1997 over de afschaffing van de doodstraf, welke door
het Europees Parlement gezien wordt als een voorwaarde voor
Samenwerkingsovereenkomsten.[23]
Een ander
voorbeeld is de Kamer van Herziening in Estland, welke de noodzakelijkheid
Europeesrechtelijke principes in acht te nemen heeft benadrukt in de
pre-toetredings fase. Volgens de Kamer moeten “bij het formuleren van algemene
rechtsbeginselen voor Estland de algemene rechtsbeginselen zoals geformuleerd
door de Raad van Europa en de Europese Unie in acht genomen worden. Deze
principes vinden hun oorsprong in de algemene rechtsbeginselen van de zeer
ontwikkelde rechtssystemen van de Lidstaten”.[24]
Uit de
bovengenoemde voorbeelden blijkt zeer duidelijk dat zelfs op de vooravond van
de toetreding, de constitutionele Hoven van de Centraal en Oost Europese landen
(1) in de eerste plaats gebruik hebben gemaakt van interpretatiemiddelen met
het doel een verplichting van EG-conforme
uitleg van nationaal recht, te geven en (2) in de tweede plaats vaak
gerefereerd hebben aan de jurisprudentie van het HvJ en aan Europese wetgeving,
daarbij de boodschap overbrengende dat juridische
harmonisatie en het proces van integratie ook juridische integratie van
nationaal recht in het acquis communautaire inhoudt.
Al met al kan men een pro-Europese houding van de constitutionele Hoven vaststellen. Desalniettemin, de specifieke context van herwonnen soevereiniteit waarin deze Hoven zich uitspreken zou de oorzaak kunnen zijn van bepaalde stellingen over de ‘schending van soevereiniteit’ door de directe werking van EU secundair recht en de jurisprudentie van het HvJ, zoals in het geval van het Hongaarse Constitutionele Hof.[25] In de beroemde pre-toetredings uitspraak[26] betreffende de Europa Akkoord heeft het Hongaarse Hof de nationale wetgeving ter implementatie van de Europa Akkoord gedeeltelijk ongrondwettelijk verklaard, overwegende dat Europees recht geen directe werking en toepassing had voor de toetreding.[27] Het Hof benadrukte:
“Het mechanisme van directe werking is
een typisch kenmerk van de relatie tussen de Europese rechtsorde en die van de
lidstaten. Desalniettemin
moet de situatie die voortvloeit uit Artikel 62(2) en Artikel 11R beoordeeld
worden met het oog op het feit dat Hongarije nog geen lidstaat van de Europese
Unie is”.[28]
Tevens heeft het
Hof bepaald dat wettelijke normen afkomstig van andere publieke ordes (in dit
geval Gemeenschapsrechtelijke normen) waarover Hongarije geen invloed heeft
(aangezien het nog geen lid is van de EU), geen verplichting van toepassing
kunnen creëren in de Hongaarse rechtsorde. Zulks zou
namelijk, volgens het
In hoeverre kan de houding van de constitutionele Hoven, zoals in het voorafgaande uiteengezet, worden teruggevonden in hun jurisprudentie na toetreding? Hebben de Poolse en Tsjechische Constitutionele Hoven hun pro-Europese houding gehandhaafd? Hoe is er vorm gegeven aan het primaat van EU recht en welke compromissen zijn er gesloten met de nationale grondwettelijke vereisten? In het volgende deel van de verhandeling zal getracht worden een gedeeltelijk antwoord te formuleren op deze vragen.
Onmiddellijk na
de uitbreiding van de EU met 10 lidstaten in mei 2004 kan men tien
constitutionele uitspraken opmerken, geleverd door vier constitutionele Hoven
in Centraal en Oost Europa: namelijk in Hongarije, Polen, Tsjechië en Estland.
De uitspraak van
het Hongaarse Constitutionele Hof levert een zeer interessante zaak op,[30] doordat het de
nationale regelgeving in kwestie isoleerde van iedere Europese implicatie en
dientengevolge de mogelijkheid in te gaan op de relatie tussen nationaal en
Europees recht opzij schoof. Volgens het
Er zijn
verschillende interpretaties van deze uitspraak voorgesteld. Sajo is van mening dat het Hongaarse Constitutionele Hof, in ieder
geval op het eerste gezicht, niet bereid was mee te werken in het Europese
‘leerproces’. Een andere interpretatie geeft Uitz, die het dictum van het Hof
ziet als juridische zelfbeperking. Het Hof vermeed zich direct uit te speken
over het primaat van Europees recht, teneinde het Gemeenschapsrecht zoveel
mogelijk ‘met rust’ te laten. Het geeft daarmee blijk, volgend Uitz, van eerbiediging van Europees recht.[31] Een derde
mogelijke interpretatie van de uitspraak wordt geboden door Sadurski, die
betoogt dat “het Hof op een zeer verontrustend defect in het recht stuitte
(verontrustend vooral vanuit het standpunt tegen terugwerkende kracht eerder
ingenomen door het Hof) [...] maar dat het Hof niet oncoöperatief wilde lijken
ten opzichte van de toetreding van Hongarije tot de EU en derhalve het
vraagstuk definieerde als een nationale aangelegenheid. Daarmee vermeed het Hof
blijk te moeten geven van twijfel over de suprematie van Europees recht over de
Hongaarse constitutionele doctrine”.[32] Sadurski zelf
stelt nog een andere alternatieve lezing van de uitspraak voor, namelijk dat
het Hof de mogelijkheid heeft aangegrepen om zichzelf te vestigen als
scheidsrechter van de geldigheid van Europees recht, daarbij gebruik makend van
de eigen visie op democratie, maar tegelijkertijd ervoor heeft gekozen het conflict te minimaliseren en slechts een
signaal te zenden dat het geen “vreemde normen” zal accepteren als deze niet
overeenkomen met de eigen filosofie van de rechtstaat en democratie.[33]
Uiteindelijk
heeft het Hof de landbouw overschotten
zaak gebruikt om de boodschap over te brengen, wellicht aan zowel een nationaal
als internationaal publiek, dat de ‘heilige’ Hongaarse constitutionele
principes van rechtzekerheid en het verbod op terugwerkende kracht van
wetgeving uiteindelijk van overtreffend belang worden geacht. Het Hof heeft dit op een intelligente manier bewerkstelligd. Het Hof
was zich er duidelijk van bewust dat het niet openlijk tegen de Europese
Verordening in kon gaan, die bijna letterlijk was overgenomen in de Hongaarse
implementatiewetgeving. Daarom heeft het
In termen van
hoeveelheid is het Pools Constitutioneel Tribunaal veel actiever geweest. Gerekend vanaf de lente 2004 heeft het Tribunaal vijf
constitutionele uitspraken gedaan. Zowel de Bio-Petrol
zaak[34] als de Europees Parlement
verkiezingen zaak[35] kunnen als een vervolg op de
pre-toetredings jurisprudentie van het Tribunaal gedefinieerd worden. Opnieuw wijst het Tribunaal erop dat “bij
de interpretatie van de van kracht zijnde wetgeving, het grondwettelijke
beginsel van de welwillende predispositie ten opzichte van het Europese
integratieproces en de interstatelijke samenwerking in acht dienen te worden
genomen”.[36]
De bovenstaande uitspraken lijken slechts de Poolse pre-toetredings jurisprudentie te herhalen. De discussie wordt echter interessant als de twee bekendste zaken van het Tribunaal ten tonele verschijnen: de European Arrest Warrent zaak[37] (de EAW zaak) en de Treaty Accession zaak. Beide uitspraken bevatten belangrijke indicatoren aangaande de relatie tussen de Poolse en de Europese rechtsorde. In de EAW zaak heeft het Hof allereerst bevestigd dat er geen ruimte is voor presumties van conformiteit van afgeleid Europees recht en implementatiewetgeving. Tevens heeft het Hof ervoor gewaarschuwd dat het verbod op uitlevering een constitutionele status heeft, en van absolute waarde is. Verderop in het dictum behandelt het Hof de verplichting tot conforme interpretatie, voortvloeiend uit de rechtspraak van het HvJ in het kader van richtlijnen van de EG. Gedeeltelijk vooruitlopend op de latere Pupino uitspraak van het HvJ, verklaart het Hof het in principe niet onmogelijk deze verplichting tot conforme uitleg ook toe te passen in het geval van Kaderbesluiten.
Uiteindelijk was de praktische uitkomst van de uitspraak duidelijk: nationale bepalingen ter implementatie van de EAW beslissing zouden gewoonweg toepasselijk zijn, zelfs als ze in strijd zouden zijn met de grondwet. Dit wil zeggen dat het absolute verbod op uitlevering zoals voorzien in de grondwet tijdelijk buiten toepassing werd gelaten. De Europese verplichtingen tot implementatie van het Europese Arrestatiebevel prevaleerden. Bovendien suggereerde het Tribunaal dat de wetgever wettelijke aanpassingen zou moeten maken, gevolgd door constitutionele aanpassingen, om verdere strijdigheid met EU recht te voorkomen. Zoals een commentator terecht heeft aangevoerd:
“Deze
suggestie geeft mijns inziens aan dat het Constitutioneel Tribunaal in feite de
suprematie van het Europees recht heeft erkend.
[...] Het heeft dus geaccepteerd dat de grondwet
niet langer een absoluut kader voor controle is; als het de correcte
implementatie van EU recht hindert, moet het veranderd worden. [...] Het leek erop dat met deze uitspraak het
Tribunaal verder ging dan de reeds bestaande praktijk; het accepteerde impliciet
de voorrang van EU recht over grondwettelijke normen”.[38]
In deze context kan de uitspraak gezien worden als een hybride constructie, die aan de ene kant een pro-Europese houding weergeeft, terwijl deze aan de andere kant ook verscheidene voorzichtige uitspraken bevat aangaande de uiteindelijke status van de nationale grondwet. Een van de commentatoren[39] benadrukt, argumenten voor beide kanten afwegend, dat een van de redenen waarom de uitspraak geclassificeerd kan worden als anti-Europees is dat het Tribunaal ‘uitlevering’ erg breed opvatte, namelijk inclusief ‘overgave’, terwijl het ook anders had kunnen beslissen. Bovendien voert hij aan dat “het Tribunaal ook had kunnen beargumenteren, [...] dat de instelling van overgave een hoger niveau van mensenrechten bescherming toekent dan uitlevering, waar deze beslissing door de uitvoerende macht wordt beoordeeld; dit zou het Tribunaal hebben toegestaan te concluderen dat de reden voor het verbod op uitlevering van Poolse staatsburgers niet van toepassing was in deze situatie”.[40] Vanuit een ander standpunt bezien, is volgens dezelfde auteur een pro-Europees aspect van de uitspraak het middel gekozen door het Hof, om het verlies van bindende kracht van wettelijke bepalingen te vertragen. Volgens weer een andere commentator toont het feit dat het Tribunaal de nazicht van de grondwet heeft aangemoedigd, in een interinstitutionele dialoog met het Poolse Parlement, de ondersteunende houding van het Tribunaal ten opzichte van de EU.[41]
De EAW beslissing was de eerste belangrijke confrontatie tussen EU recht en Pools constitutioneel recht. In de Treaty Accession zaak[42] verheldert het Tribunaal in nog grotere mate de doctrine aangaande de interactie tussen nationaal en Europees recht. Zoals typisch is in zulke gevoelige zaken, is de beslissing van het Tribunaal opgebouwd uit twee verschillende delen: een eerste ‘diplomatiek’ gedeelte, dat in het algemeen refereert aan de nieuwe situatie na de toetreding en de daaruit voortvloeiende noodzaak te voldoen aan Europeesrechtelijke eisen, en een tweede gedeelte, dat de grenzen aangeeft van de welwillende interpretatie van Europees recht en, meer algemeen, aan de inmenging van Europees recht in de nationale rechtsorde.
Een uitgewogen
houding aannemend, begint het Tribunaal met het creëren van de achtergrond voor
een typisch pluralistische benadering, door aan te geven dat:
“Het concept
en model van het Europees recht een nieuwe situatie gecreëerd hebben, waarin in
elke lidstaat twee autonome rechtsordes naast elkaar bestaan en tegelijkertijd
operatief zijn. Hun interactie kan niet geheel worden
beschreven aan de hand van de traditionele concepten van het monisme en het
dualisme in verhouding tot de relatie tussen nationaal en internationaal recht.
Het bestaan van relatieve autonomie van beide, nationale en Gemeenschappelijke
rechtsordes, wil op geen enkele manier zeggen dat er geen interactie tussen
beide zou zijn. Noch staat
het de mogelijkheid van een collisie tussen Gemeenschapswetgeving en de
Grondwet in de weg”.[43]
Daarna sluit het
Tribunaal elke mogelijkheid van absolute voorrang van Gemeenschappelijke normen
uit. Het maakt duidelijk dat in het geval van een
botsing tussen constitutionele normen en Gemeenschappelijke normen, de voorrang
van de Gemeenschappelijke norm niet zonder meer aangenomen moet worden.
Bovendien
Het bovenstaande wordt gevolgd door een aantal paragrafen met een bittere ondertoon, waar het Tribunaal een aantal grenzen aangaande de welwillende interpretatie van nationaal recht, het functioneren van de Gemeenschappen en de bevoegdheden van het HvJ opnoemt. Met betrekking tot het eerste, gaf het Tribunaal aan dat het principe van conforme interpretatie niet mocht leiden tot een contradictie met expliciete bepalingen van de Grondwet.[44]
Bovendien
benadrukte het Tribunaal dat het functioneren van de Gemeenschappen gebaseerd
moet zijn op bevoegdheden overgedragen door de lidstaten. Aan de andere kant moeten de lidstaten ervoor waken dat
beleidsmakers op het Europese niveau hun bevoegdheden niet overschrijden en in
conformiteit met het subsidiariteitprincipe en proportionaliteitsbeginsel
moeten handelen. Als dat niet het geval is, mogen Europese bepalingen niet over
nationaal recht prevaleren. In dezelfde context noemt het Tribunaal drie
grenzen voor het HvJ: (a) de interpretatie van het Gemeenschapsrecht door het
HvJ moet binnen de grenzen van de gedelegeerde competenties vallen (b) de
interpretatie van het HvJ moet het subsidiariteitsbeginsel respecteren (c) de
interpretatie moet gebaseerd zijn op wederkerige loyaliteit tussen de
Gemeenschapsinstellingen en de lidstaten. Volgens het Tribunaal moet er
sympathie zijn aan beide kanten: de assumptie van loyaliteit creëert een plicht
voor het HvJ om sympathiek tegenover de nationale rechtssystemen te staan en
een plicht voor de lidstaten om aan de hoogste standaard van respect voor
Gemeenschapsnormen te voldoen.[45] Hieruit
In een recentere
uitspraak betreffende Accijns Belasting,[46] grijpt het
Tribunaal opnieuw de kans om zijn doctrine betreffende de interactie tussen
nationaal en Europees recht uit te breiden. Het Tribunaal voert aan dat:
“Ongetwijfeld
van cruciaal belang in deze zaak is het feit dat het HvJ de correcte toepassing
van het Gemeenschapsrecht waarborgt, en dat het HvJ dus in zijn uitspraken geen rekening hoeft te houden met de normen
die voortvloeien uit nationale rechtsordes van specifieke lidstaten,
inclusief de status van de grondwet in het bronnensysteem van nationaal recht” [cursief
toegevoegd].[47]
Zoals reeds
geconstateerd is in de context van de Accession
Treaty zaak, wijdde het Tribunaal uit over de assumptie van wederzijdse
loyaliteit tussen de Europese instellingen en de lidstaten, dat de basis zou
moeten vormen voor de interpretatie van Gemeenschapsrecht door het HvJ. Volgens deze assumptie heeft het HvJ een plicht tot welwillende
predispositie ten opzichte van nationale rechtssystemen. Het is zeker waar dat
de retoriek van de Accession Treaty
zaak blijk geeft van hogere verwachtingen met betrekking tot de houding van het
HvJ vis-à-vis nationale
rechtssystemen, vergeleken met de Accijns zaak.
Bovendien lijkt
het er misschien op dat het Tribunaal in de Accijns
zaak de eisen van loyaliteit, rustend op het HvJ, versoepelde. Echter, het Tribunaal bleef bij zijn protectionistische verklaringen
volgens welke het Constitutioneel Tribunaal de grondwet waarborgt, die de
superieure wet in Polen zal zijn. Bovendien bevestigd het Tribunaal nogmaals
zijn rol als de hoeder van de grondwet, die voortvloeit als een verplichting
uit de Poolse grondwet. Het bevestigd zijn positie, stellende dat:
“Een botsing kan voorkomen tussen uitspraken gedaan door het HvJ en uitspraken van het Constitutioneel Tribunaal. Het bovenstaande in overweging nemende, moet men stellen dat ook ingevolge Artikel 8 lid 1 van de Grondwet, het Constitutioneel Tribunaal verplicht is om inzake fundamentele vragen met betrekking tot het grondwettelijke staatsbestel, zijn positie als gerecht met het laatste woord te erkennen en te behouden”.[48]
Het ziet er dus naar uit dat het Tribunaal
besloten heeft zijn positie als het “gerecht met het laatste woord” te
beschermen, terwijl het tegelijkertijd erkende dat er situaties mogelijk zijn
waarin er geen noodzaak is voor inmenging van het Tribunaal, omdat de materie
onder de jurisdictie van het HvJ valt, of simpelweg onder die van de lagere
Hoven. In dit geval doet het
Tribunaal een stap terug, stellende dat:
“Het oplossen van conflicten met betrekking tot nationale wetgeving valt buiten de competentie van het Constitutioneel Tribunaal, aangezien de beslissing of een wet in strijd met Gemeenschapsrecht blijft door de Hoge Raad, administratieve Hoven en lagere Hoven genomen moet worden, terwijl de interpretatie van Gemeenschapsrecht aan het HvJ is, middels de prejudiciële uitspraak”.[49]
Gedeeltes van de uitspraak, zoals waar het Tribunaal de verplichting benadrukt die op nationale Hoven rust om nationaal recht dat strijdig is met Gemeenschapsrecht buiten toepassing te laten, zijn een herhaling van het zogeheten Simmenthal mandaat, zoals lang geleden is uitgewerkt door het HvJ. De grootste bron van problemen, echter, blijft het grondwettelijk conflict; namelijk die voortvloeit uit een botsing tussen een Europese rechtsnorm en een grondwettelijke bepaling. In dit geval is het moeilijk voor het Tribunaal om zijn status als “gerecht met het laatste woord” op te geven.
Dit complexe beeld geschetst door het Poolse Tribunaal vestigt de aandacht op het “balancerende patroon” dat reeds is vastgesteld in relatie tot de constitutionele Hoven in de hoofdconclusie van deze verhandeling. Na de toetreding tot de EU, kregen de constitutionele Hoven niet alleen te maken met de nazicht van grondwettelijkheid van nationale wetgeving; ook moesten ze een gepast antwoord zien te vinden op vragen aangaande de relatie tussen nationaal en Europees recht. Derhalve werden zij geconfronteerd met een nieuwe realiteit die op hen de verplichting legde niet alleen als hoeders van hun “eigen” grondwet te handelen (en tegelijkertijd hun status als “gerecht met het laatste woord” te behouden), maar tevens als Europese Hoven.
De situatie in Tsjechië is niet veel anders. Het Tsjechische Constitutionele Hof is de discussie over het primaat van Europees recht aangevangen met de Suger Quotas zaak.[50] In deze zaak erkent het Hof, net zoals zijn Poolse collega, de fundamentele verandering en nieuwe impact in de nationale rechtsordes veroorzaakt door de toetreding. Bovendien erkent het, bijna letterlik So Lange II herhalend, dat het bescherming niveau van fundamentele rechten in de Gemeenschap niet tot zorgen strekt, noch het niveau van bescherming in Tsjechië omlaag haalt. Dit zou een uitbreiding van het zogeheten pax germana genoemd kunnen worden. Desalniettemin herinnert het Hof eraan dat het zijn rol als beschermheer van de grondwet zal handhaven, om de essentiële beginselen van de Tsjechische grondwet te beschermen. Wederom lijkt het erop dat de uitspraak van het gerecht dusdanig is gestructureerd om een evenwicht te bewerkstelligen tussen een pro-Europese benadering enerzijds, en specifieke stellingen aangaande de uitoefening van de gelimiteerde bevoegdheden van de Europese instellingen anderzijds.
In de EAW beslissing van enkele maanden later,[51] werd het Tsjechische Constitutionele Hof geconfronteerd met een Europeesrechtelijk probleem, namelijk dat van uitlevering van in staat van beschuldiging gestelde personen op basis van het Europese Arrestatiebevel. Uiteindelijk is het Hof erin geslaagd door middel van interpretatiemiddelen de nationale wetgeving te verenigen met de eisen gesteld door het Europese Arrestatiebevel. De wet ter implementatie van het Europese Arrestatiebevel werd niet strijdig geacht met de fundamentele rechten zoals neergelegd in de Tsjechische grondwet. In contrast met zijn Poolse en Duitse collega heeft het Tsjechische Hof de potentiële botsing tussen de grondwettelijke beginselen en de Europese rechtsorde zoveel mogelijk beperkt. Het heeft zich niet laten verleiden tot een discussie over soevereiniteit, al ging het om een uitleveringsprocedure, die normaalgesproken wel degelijk serieuze vragen opwerpen over de bescherming van zijn burgers door de staat.
In deze context
is het gepast een aantal paragrafen uit de uitspraak te benadrukken: “als de
Grondwet [...] op verscheidene manieren geïnterpreteerd kan worden, waar slecht
enkele manieren leiden tot het voldoen aan de eisen van EU lidmaatschap, dan
moet er voor een interpretatie gekozen worden die de vervulling van deze eisen
toestaat, en de interpretatie die zulke overeenstemming uitsluit moet vermeden
worden”.[52] Wederom
geeft deze uitspraak blijk van een vriendelijke houding ten opzichte van EU
recht en Europese integratie.
Estland is een interessant voorbeeld in het kader van de ‘supremacy challenges’. In de pre-toetredings fase heeft men in Estland gekozen voor een additioneel protocol aangehecht aan de grondwet in plaats van een grondwetswijziging, omdat de publieke steun voor de toetreding erg laag was en de wijzigingsprocedure zeer ingewikkeld en tijdrovend was.[53] Dit leidde ertoe dat menig bepaling in de Estse grondwet niet aangepast was aan het acquis, met name de bepalingen over de Estse soevereiniteit en onafhankelijkheid, de rechten van Estse burgers om tot politieke partijen te behoren en de exclusieve rechten van de Estse Bank. [54] Daardoor waren de kansen op botsing uiteraard erg hoog.
Het Additionele Protocol aangehecht aan de Grondwet autoriseert het lidmaatschap van Estland van de EU, en het voorziet dat de grondwet toegepast moet worden in acht nemende de verplichtingen voortvloeiend uit het Toetredingsverdrag. Derhalve is de ruimte voor interpretatie voor het Hooggerechtshof erg groot in het geval van een conflict tussen de grondwet en nationaal recht. De enige richtlijn die gegeven is door het Additionele Protocol is dat Europeesrechtelijke verplichtingen in acht genomen moeten worden.
In de Politieke Partijen zaak,[55] heeft het
Estse gerecht de mogelijkheid aangegrepen om zijn opinie te geven aangaande de
suprematie van het Europees recht, door te bevestigen dat:
“Europees
recht inderdaad prevaleert over Estlands recht, maar gezien de rechtspraak van
het HvJ betekent dit voorrang in toepassing. De voorrang in toepassing wil
zeggen dat de nationale wet in casu die
conflicteert met Europees recht in een concreet geval opzij geschoven moet
worden”.[56]
De “dissenting judges” (rechters met een afwijkende mening) benadrukten dat het Hooggerechtshof de specifieke bepaling van de Political Parties Act die het lidmaatschap van politieke partijen voorbehield aan Estse burgers, ongeldig had moeten verklaren wegens ongrondwettelijkheid, of dat het Gerechtshof het HvJ om een prejudiciële uitspraak had moeten vragen ter interpretatie van Artikel 19 EG. Bovendien, volgens dezelfde rechters, heeft het Hooggerechtshof gefaald in zijn rol als interpretator van de grondwet. In de woorden van de rechters:
“Het is
spijtig te noemen dat het hoogste gerecht van de staat, op wie de taak rust de
grondwet te interpreteren, heeft verzuimd de betekenis en implicaties van het
Additioneel Protocol uit te leggen, en heeft gefaald in het verduidelijken van
de basis voor interpretatie van de grondwet op basis van het Protocol. [...] De creatie van het
Protocol vormt niet slechts een toestemming voor Estland om toe te treden tot
de Europese Unie. Het is even zo belangrijk dat in de
context van EU lidmaatschap de grondwet geïnterpreteerd moet worden op basis
van het Protocol. [...] Anders dan
de grondwetten van menig ander EU lidstaat, regelt het Additioneel Protocol de
verhouding tussen Estland en de EU op een zeer lapidaire manier, wat verdere
interpretatie door het Hooggerechtshof onafwendbaar maakt” [cursief toegevoegd].[57]
De “dissenting
judges” waren van mening dat het gewraakte artikel van de Political Parties Act met de Estse grondwet conflicteerde doordat
het “een onacceptabel grove overtreding van het passieve kiesrecht van de
burgers van de andere EU lidstaten is”.[58] Volgens deze
rechters zou het tweede lid van Artikel 48 van de Estse grondwet, dat expliciet
voorziet dat enkel Estse burgers tot politieke partijen mogen behoren,
geïnterpreteerd hebben moeten worden op een manier die alle EU burgers in staat
zou stellen lid te zijn van een politieke partij, met het doel om zich
verkiesbaar te stellen voor lokale verkiezingen. De
rechtsbasis voor deze interpretatie zou gevonden kunnen worden in het tweede
lid van het Additioneel Protocol dat
De uitkomst van
de zaak is vergelijkbaar met die in de Accijns
zaak van het Pools Constitutioneel Tribunaal. Beide
Hoven van laatste instantie wezen hun bevoegdheid af om nationaal recht in het
licht van Gemeenschapsrechtelijke bepalingen te herzien. Het primaat van het Europees recht impliceert primaat in toepassing; i.e., nationaal recht wordt buiten
toepassing gelaten in het geval dat het in strijd is met Europeesrechtelijke
normen. De Constitutionele Hoven hebben blijk gegeven
van hun onvermogen nationaal recht ongeldig te verklaren in het licht van
Gemeenschapsrecht.
Toch kan men geen parallel trekken tussen deze twee zaken. In de Poolse zaak was het enige directe verband van nazicht tussen bepalingen van belastingrecht en Gemeenschapsrechtelijke bepalingen aangaande het vrij verkeer van goederen, belastingen, etc. Derhalve kon het Pools Constitutioneel Gerecht de bepalingen niet uitsluitend in het licht van Gemeenschapsrecht beoordelen. In de Estse zaak stelde de Minister van justitie dat de bepalingen van de Political Parties Act strijdig waren met de Estse grondwet en EU recht. Het is nochtans duidelijk dat het Hof besloten heeft zijn brede interpretatieve macht, zoals toegekend door het Additioneel Protocol, niet te gebruiken. Het heeft een zelfbeperkende strategie toegepast, en heeft de functie of status dat het Additioneel Protocol in de Estse rechtsorde heeft, niet opgehelderd.
Een tijdje later,
in een Opinie geleverd door de Grondwettelijke Nazichtskamer van het
Hooggerechtshof,[59] is de status van
het Additioneel Protocol en de Estse grondwet opgehelderd, evenals de
suprematie van Europees recht. Eén van de belangrijkste
uitspraken in het dictum van het Hooggerechtshof is de expliciete erkenning dat
het aannemen van het Additioneel Protocol tot een materieel amendement van de
grondwet heeft geleid, en wel van die delen die niet in overeenstemming zijn
met EU recht. Voorts opteerde
het Hooggerechtshof voor een duidelijke pro-Europese benadering, door het
primaat van het Europees recht te accepteren.[60] Het
Hooggerechtshof bevestigde dat:
“Slechts dat
deel van de Grondwet, dat in overeenstemming met EU recht is of dat
rechtrelaties regelt die niet onder EU recht vallen, is van toepassing. De rechtskracht van de grondwettelijke bepalingen die niet conform
EU recht zijn en derhalve niet toepasbaar zijn, is opgeschort. Dit wil zegen dat binnen de gebieden van
exclusieve competentie van de EU, of daar waar gedeelde bevoegdheid geldt, het
EU recht prevaleert in het geval van een conflict met Estse wetgeving,
inclusief de Grondwet”.[61]
De bovenstaande ‘excursie’ door de jurisprudentie van de constitutionele Hoven van Centraal en Oost Europa, heeft aangetoond dat deze Hoven een vrij afgewogen houding hebben aangenomen aangaande Europese integratie en dat geen van de Hoven openlijk het primaat van het Europees recht ontkend heeft. Met name de voorrang van het Europees recht over “normaal” nationaal recht is algemeen geaccepteerd door de constitutionele Hoven. Zij hebben allen erkend dat de toetreding tot de EU onvermijdelijk verplichtingen aangaande harmonisatie en volledige integratie met zich mee brengt. Het ziet ernaar uit dat Kuhn gelijk had met zijn vroege voorspellingen toen hij schreef dat “gezien het karakter van de postcommunistische rechterlijke machten, het onwaarschijnlijk is dat zij openlijke vijandigheid kenbaar zullen maken, of dat zij zullen weigeren de leidende rol van het HvJ in het Europees recht te accepteren”.[62]
Desondanks hebben de meeste constitutionele Hoven, afgezien van de interpretatie van de Estse grondwet inzake de Estse munteenheid, zeer voorzichtig hun standpunten over de voorrang van Europees recht over grondwettelijke normen geformuleerd. Zoals reeds hierboven gezegd is, heeft het Pools Constitutioneel Tribunaal het duidelijk gemaakt dat de normen van de grondwet de standaard voor nazicht zullen zijn inzake implementatiewetgeving. In de Accession Treaty zaak nam hetzelfde gerecht zeer duidelijk stelling tegen het uiteindelijke primaat van Europees recht over de Poolse grondwet. Ook het Tsjechische Constitutionele Hof heeft eraan herinnert, in de Suger Quotas zaak, dat elke overdracht van bevoegdheden aan Gemeenschapsinstellingen conditioneel is, niet ongelimiteerd en dat in ieder geval het aan het Constitutioneel Hof voorbehouden is de grondwet en onvervreemdbare fundamentele rechten te waarborgen.
Constitutionele Hoven in Centraal en Oost Europa zijn zich bewust geweest van het feit dat met de toetreding tot de EU, zekere beperkingen van nationale soevereiniteit zich zullen voordoen en dat sommige bevoegdheden zullen worden overgedragen aan de instellingen van de Gemeenschap. Dientengevolge moeten nationale rechtsordes, inclusief hun constituties, zich toegankelijk opstellen om de toepassing van het Europees recht te faciliteren, en het primaat van Europees recht te bewerkstelligen in geval van conflict met nationaal recht. Deze begrenzing is nochtans conditioneel; er zijn enkele basisprincipes die niet overschreden dienen te worden, zoals fundamentele burgerrechten, het rechtszekerheidsbeginsel, en de democratische beginselen van de rechtstaat. De inhoud van deze basisbeginselen is veelal afhankelijk van de nationale context, waar elk constitutioneel gerecht rekening te houden heeft met specifieke omstandigheden zoals nationale gevoeligheden en juridische/gerechtelijke tradities.
De jurisprudentie laat ook zien dat er vaak een conditionele clausule wordt ingebouwd in de verhandelingen van de constitutionele Hoven, zijdelings aan hun ‘integrationistische’ houding. Deze clausules, ofwel controlimiti, die doen denken aan de So Lange uitspraak zoals we die eerder in Duitsland zijn tegengekomen, zijn nauwelijks te bespeuren in de pre-toetredings fase. Wellicht is de wens om “erbij te horen” zo groot dat de toon van de constitutionele Hoven er éen van vriendelijkheid is. Bovendien is het pas in de post-toetredings fase dat de nieuwe realiteit zich daadwerkelijk opdringt, die waar “gewone” Hoven plots getransformeerd worden in Hoven van de Gemeenschap en waar ieder van hen kan besluiten om nationaal recht buiten toepassing te laten als het strijdig is met Europees recht. Het is niet ondenkbaar dat de constitutionele Hoven dit als een “empowerment” van “gewone” Hoven zien, en daarom iedere mogelijkheid aangrijpen om te benadrukken dat de grondwet de superieure wet in het land is, en dat zij de Hoven met “het laatste woord” zijn en blijven.
Deze ambigue
realiteit van pro-Europese benaderingen en tegelijkertijd ingebouwde controlimiti is niet onbegrijpelijk als
men in overweging neemt dat deze Hoven, net zoals hun Europese collegae,
actoren van Europese integratie zijn in een beperkt constitutioneel kader,
bepaald door hun nationale grondwet. Op hen rust het
mandaat ter waarborging van hun grondwet, in woord en gedachte, wat in feite de
raison d’être is van deze organen. Zoals de Witte correct aangeeft met een
opmerking over de constitutionele Hoven van de “oude lidstaten” (met name
Italië, Duitsland, België en Frankrijk):
“De oorzaak
van al deze voorbehouden tegen het absolute primaat van EG recht ligt in het
feit dat constitutionele Hoven, zeer begrijpelijk, niet kunnen accepteren dat
enige rechtsbron zou prevaleren over de nationale grondwet zelf, die
uiteindelijk de bron van hun eigen bestaan is. Als de grondwet gezien wordt als
de basis voor de erkenning van het primaat van Gemeenschapsrecht, dan is
absolute voorrang zoals geëist door het HvJ in Internationale Handelsgesellschaft slechts mogelijk middels een
“zelfbeperkingclausule” in de grondwet”.[63]
Dit is een extreem belangrijke bevinding die, mijns inziens, op een vergelijkbare manier geldt voor de constitutionele Hoven van de Centraal en Oost Europese landen. Constitutionele Hoven zijn de creaties van hun eigen grondwet, en zij hebben de verplichting zich op te stellen als diens hoeders. Op hen rust de grondwettelijke plicht om de grondwet te interpreteren op een manier die de verplichtingen voortvloeiend uit de toetreding tot de EU in acht neemt, maar zij kunnen niet tegen de letterlijke bewoordingen van hun grondwet ingaan. Bijgevolg moet bij iedere analyse van hun rol in het integratie proces, rekening gehouden worden met hun constitutionele speelveld, dat veelal beperkt wordt door een rigide formulering van de grondwet, specifieke rechtsbeginselen die sterk geworteld zijn in de grondwettelijke tradities van de lidstaat in kwestie (zoals rechtszekerheid en non-retroactiviteit in Hongarije) en soms een gebrek aan Europees bewustzijn bij de oudere generatie constitutionele rechters.
*
LLM in Vergelijkend Grondwettelijk recht met
specialisatie Europees recht, Central European University, Budapest, Hungary. PhD
Candidate, European University Institute,
[1] H. SCHWARTZ, The Struggle for Constitutional Justice in
Post-Communist
[2] Constitutionele Hoven werden (opnieuw) gevestigd in
Oostenrijk, Duitsland, Italië, Griekenland, Spanje, Portugal, België en
Frankrijk.
[3]Zoals geciteerd door H.
SCHWARTZ, The Struggle for Constitutional Justice in Post-Communist Europe, supra voetnoot 1, p. 19.
[4] Ibid.
[5] V.I. GANEV, “The
Rise of Constitutional Adjudication in
[6] N.
GELAZIS, “Defending Order and Freedom: The
[7] R.
PROCHAZKA,
[8] Ibid, pp. 18-19.
[9] J. ELSTER, “On
Majoritarianism and Rights”, East European Constitutional Review, 1992,
No 3, p. 22.
[10] Ibid.
[11] A. Sajo voert een zeer sterk argument aan in dezen. Hij
bekritiseerd de beslissing van het Hongaarse Hof inzake de welzijns
hervormingen. Hij betoogd dat de beslissing van het Constitutionele Hof: “de
herstructurering van het Hongaarse welvaartsstelsel hebben vertraagd en
fundamentale vragen aangaande de maatschappelijke postcommunistische welvaarsts
afhankelijkheid”; A. SAJO, “How the Rule
of Law Killed Hungarian Welfare Reform”, East European Constitutional Review,
1996, p. 31.
[12] L. LECH GARLICKI,
“The experience of the
[13] Z. KUHN, “The
Application of European Union Law in the New Member States: Several Early
Predictions”, German Law Journal, 2005, p. 564.
[14] A. ALBI, EU Enlargement and the Constitutions of the
Central and Eastern Europe, Cambridge, Cambridge University Press, 2005, p.
52.
[15] Uiteraard moet men ervoor waken het kwalitatieve en
kwantitatieve belang van de pre-toetredings jurisprudentie van de
constitutionele Hoven niet te overschatten. Desalniettemin kan men het belang van
de “European discourse” in deze fase
van het integratie proces niet ontkennen, vooral in het verkrijgen van inzicht
in de huding van deze Hoven vlak na de uitbreiding in 2004.
[16] A. ALBI, EU Enlargement and the Constitutions of the
Central and Eastern Europe, supra
voetnoot 14, pp. 54-55.
[17] A. ALBI, EU Enlargement and the Constitutions of the
Central and Eastern Europe, supra
voetnoot 14, p. 53; Z. KUHN, “The
Application of European Union Law in the New Member States”, supra voetnoot 13, p. 566.
[18] Gerapporteerd door Z.
KUHN, “The Application of European Union Law in the New Member States”, supra voetnoot 13, p. 566.
[19] Pools
Constitutioneel Tribunaal, Referendum on Poland’s Accession to the
European Union, 27
Mei 2003, K11/03.
[20] Tsjechisch
Constitutioneel Hof, RE Skoda Auto, Sbirka Nalezu a Usnesei, Verzameling van Uitspraken
van het Constitutioneel Hof,
Vol. 8, p. 149 [in het Tjechisch], zoals gerapporteerd door Z. KUHN, “The Application of European
Union Law in the New Member States”, supra
voetnoot 13, p. 567.
[21] Ibid., p. 568.
[22] A. ALBI, EU Enlargement and
the Constitutions of the Central and Eastern Europe, supra voetnoot 14, p. 54.
[23] Ibid.
[24] Ibid., p. 55.
[25] Ibid., pp. 55-56.
[26] Hongaars
Constitutioneel Hof, Decision 30/1998,
(VI 25) AB.
[27] Zie voor uitgebreidere behandeling J. VOLKAI , “The Application of the Europa Akkoord and European Law
in Hungary: The Judgment of an Activist Constitutional Court on Activist
Notions”, Harvard Jean Monnet Working
Paper, 1999, No 8, p. 9, www.jeanmonnetprogram.org/papers/99/990801.rtf; W. SADURSKI, “Solange,
Chapter 3: Constitutional Courts in Central Europe- Democracy-European Union”, EUI Working Paper, 2006, No 40, http://cadmus.iue.it/dspace/bitstream/1814/6420/1/LAW-2006-40.pdf
[28] J. VOLKAI, “The
Application of the Europa Akkoord and European Law in
[29] Ibid.
[30] Hongaars
Constitutioneel Hof, Beslissing
17/2004 (V.25.)AB. De grondwettelijke herziening werd geinitieerd door de
Hongaarse president die, nadat hij had geweigerd een parlementaire wet
betreffende maatregelen gerelateerd aan de accumulatie van commerciele landbouwoverschotten,
de wet doorzond naar het Constitutioneel Hof ter herziening op grond van het
rechtszekerheidsbeginsel en het verbod op terugwerkende kracht. De wet van het
Hongaarse Parlement die bedoeld was ter implementatie van Europese reglgeving, bevat
tevens maatregelen betreffende de preventie van “speculative stock
accumulation” van landbouwproducten. Het Hof verklaarde een aantal bepalingen
van de wet ongrondwettelijk, stellende dat de wet strijdig was mer het
rechszekerheidsbeginsel en belastingplichten met terugwerkende kracht oplegde.
De wet zou va kracht worden in de tweede helft van Mei 2004, maar zou
uiteindelijk van kracht geworden zijn vanaf 1 Mei 2004, de dag dat Hongarije
tot de EU toetrad.
[31] Zie voor een bondige samenvatting van beide standpunten: A. ALBI, “Supremacy of EC Law in the
New Member States: Bringing Parliaments into the Equation of ‘Co-operative
Constitutionalism”, European
Constitutional Law Review, 2007, No 3, p. 56.
[32] Zie W. SADURSKI “Solange, Chapter 3”, supra note 27, p.14.
[33] Ibid.
[34] Pools
Constitutioneel Tribunaal,
Bio-Components in Gasoline and Diesel,
[35] Pools
Constitutioneel Tribunaal,
Participation of Foreigners in European Parliamentary Elections,
[36] Zie paragraaf 1 van de samenvatting van de uitspraak
aangaande de participatie van buitenlanders in verkiezingen van het Europees
Parlement.
[37] Pools Constitutioneel Tribunaal, European Arrest Warrant,
[38] K. KOWALIK-BANCZYK,
“Should We Polish It Up? The Polish Constitutional Tribunal and the Idea of
Supremacy of EU Law”, German Law Journal,
2005, pp. 1360- 1361.
[39] D. LECZYKIEWICZ,
“Case Note on the Judgment of
[40] Ibid., p. 1187.
[41] A. LAZOWSKI,
“The Polish Constitution, the European Constitutional Treaty and the Principle
of Supremacy”, in A. ALBI and J. ZILLER, The European
Constitution and National Constitutions: Ratification and Beyond,
[42] Pools
[43] Zie paragraaf 13 van de uitpsraak.
[44] Zie paragraaf 14 van de uitspraak.
[45] Zie paragraaf 16 van de uitspraak.
[46] Pools Constitutioneel Tribunaal, Procedurele Beslissing No 176/11/A/2006
aangaande de Accijnsbelasting, 19 Dec. 2006, No 37/05. De zaak kwam voor het Tribunaal naar aanleiding van een
rechtsvraag geformuleerd door het regionale administratieve gerecht in Olsztyn,
welke besloten had de procedure op te schorten afwachtende de uitspraak van het
Tribunaal. De zaak betrof een aanvraag tot terugvordering van een
teveelbetaling van accijnsbelasting bij de aankoop van een personenwagen in
Duitsland. Volgens de verzoeker die zijn vraag aan de Poolse
belastingautoriteiten had geadresseerd, conflicteerde de wetgeving met een
aantal bepalingen van het EG verdrag, te weten Artikel 23(1)(2), Artikel 15 en
Artikel 90. De rechtsvraag gesteld aan het Tribunaal was om te bepalen of de
regelgeving in kwestie, namelijk de Poolse Wet op Accijnsbelasting die bepaalt
dat personenwagens die niet geregistreerd zijn in Polen onder een
accijnsbelasting komen te vallen, in conformiteit met Artikel 90(1) EG en
Artikel 91 van de Grondwet was. Artikel 91 van de Grondwet bepaalt dat een
internationale overeenkomst geratificeerd met voorafgaande toestemming bij wet
prevaleert over wetgeving als dergelijke overeenkomst niet in overeenstemming
gebracht kan worden met de wettelijke bepalingen. Het Tribunaal besloot niet in
te gaan op de inhoud van de zaak, daarmee blijk gevend van aanzienlijke
zelfbeperking. Volgens
het Tribunaal zou het ingaan op de inhoud van de zaak betekenen dat de
conformiteit van Pools recht met Gemeenschapsrecht beoordeeld moest worden, en
derhalve een interpretatie van Gemeenschapsrecht door het Tribunaal nopen, terwijl
deze laatste “niet is staat is de interpretatiestandaarden van alle lidstaten
in acht te nemen”.
[47] Zie de beslissing inzake Accijns Belasting.
[48] Ibid.
[49] Ibid.
[50] Tsjechisch Constitutioneel Hof, Arrest
Pl. ÚS 50/04, 8 Maart 2006. Het
onderwerp van de zaak betrof een regeringsmaatregel die de allocatieprocedure
van suiker quota reguleerde. Het Hof vernietigde lid 3 van de Regeringsmaatregel op
grond van ultra vires handelen door
de regering: “door het uitoefenen van autoriteit die reeds gedelegeerd was aan
de Gemeenschapsorganen en die derhalve niet langer in handen was van de
regering”.
[51]Tsjechisch
Constitutioneel
[52] Ibid.
[53] A. ALBI,
“Supremacy of EC Law in the New Member States”, supra voetnoot 31, p. 43.
[54] Ibid.
[55] Algemene Kamer van het Estse Hooggerechtshof, Zaak No 3-4-1-1-05, 19 Apr. 2005. De zaak
was aangebracht bij het Hooggerechtshof door de kanselier van justitie, die het
Hof vroeg enkele bepalingen van de Political
Parties Act in conflict met de grondwet juncto
het Additioneel Protocol juncto het
EG verdrag, te verklaren. Het Hof wees de claim af omdat de Algemene Kamer niet
bevoegd was nationale wetgeving nietig te verklaren uit conflict met EU recht.
[56] Zie paragraaf 49 van de Uitspraak.
[57] Ibid.
[58] Zie paragraaf 10 van de afwijkende mening (“dissenting opinion”) van Edelachtbare
Julia Laffranque.
[59] Grondwettelijke Herzieningskamer van het Estse
Hooggerechtshof, Opinie
betreffende de interpretatie van de Estse Grondwet, No 3-4-1-3-06, 11 Mei
2006. Het Estse Parlement deed een beroep op
het Hooggerechtshof ter interpretatie van Artikel 111 van de Grondwet in
relatie met het Additioneel Protocol en het EG verdrag. Deze vraag van het
Parlement werd gesteld in een specifieke context, namelijk die waar Estland
zijn legislatieve procedure ter terugtrekking van de Estse munteenheid teneinde
Estlands lidmaatschap van de Monetaire Unie te verwezenlijken, had gestart. Artikel 111 van de Grondwet stipuleerde
dat “de Bank van Estland het alleenrecht heeft de Estse munteenheid te bepalen;
de Bank van Estland zal de circulatie van de munteenheid reguleren, en zal de
stabiliteit van de nationale munteenheid te bewaren”.
[60] Zie ook A. ALBI,
“Supremacy of EC Law in the New Member States”, supra voetnoot 31, p. 45.
[61] Zie de Opinie van de Grondwettelijke Herzieningskamer van
het Hooggerechtshof.
[62] Z. KUHN, “The
Application of European Union Law in the New Member States”, supra voetnoot 13, p. 572.
[63] B. DE WITTE, “Constitutional
Aspects of European Union Membership in the Original Six Member States: Model
Solutions for the Applicant Countries?” in A.E.
KELLERMANN et al., EU Enlargement: The Constitutional Impact at
EU and National Level, Den Haag, Asser, 2001, p. 77.